De gemeenteraadsvergadering over de woningbouwmonitor leverde een pijnlijk beeld op. Niet zozeer vanwege de cijfers, maar vanwege de oorverdovende stilte die volgde op mijn analyse op beleid/ambities versus werkelijkheid.
Mijn betoog was geen onderbuikverhaal, maar een opsomming van feiten uit eigen gemeentelijke stukken. De Rekenkamer concludeerde in 2025 al dat de woningbouw onvoldoende aansluit op de lokale behoefte en dat de gemeente vooral aantallen telt, zonder te kijken of de juiste woningen worden gebouwd (geprioriteerde doelgroepen, demografische ontwikkelingen, etc). Het Volkshuisvestingsprogramma waarschuwt voor de snelle vergrijzing en de groei van het aantal alleenstaanden. ABN AMRO constateert bovendien dat Nederland al twee keer zoveel eengezinswoningen telt als gezinnen. En ook het coalitieakkoord belooft meer appartementen en levensloopbestendige woningen voor starters en senioren.
En wat doet Oirschot? In 2025 bestaat ongeveer 80% van de nieuwbouw uit eengezinswoningen; voor 2026 is dat nog altijd circa 70%. Ook de grote projecten die eraan komen bestaan voor 70% uit middeldure en dure eengezinswoningen en tweekappers. De werkelijkheid staat dus haaks op alles wat de gemeenteraad zelf heeft vastgesteld en beloofd.
Het Actieplan Woningbouw schrijft bovendien voor dat 15% van de woningen goedkope koop moet zijn. Projectontwikkelaars zeggen inmiddels openlijk dat dit financieel niet haalbaar is. Dan zijn er maar twee eerlijke opties: óf erkennen dat die doelgroep voorlopig buiten de boot valt, óf toegeven dat Oirschot bewust kiest voor een exclusiever woningaanbod. Alles daartussen is politieke schijnwerkelijkheid.
Ik kwam ook met een concreet alternatief: meer woningen per hectare door slimme verdichting zonder hoogbouw (voorbeeld Agnes van Kleefstraat). Compacte woningen die het dorpse karakter behouden én wel betaalbaar kunnen zijn (tussen €280.000,- en €320.000,-).
Enorme kloof tussen beleid en praktijk
Maar wat gebeurde er? Vrijwel niets. PRO stelde één verduidelijkende vraag. Het CDA erkende dat er “een kern van waarheid” in zat. Daarna viel de raad stil. Geen kritische vragen over de enorme kloof tussen beleid en praktijk. Geen echt inhoudelijke vragen over de kwaliteit van de woningbouwmonitor na een inleiding van een ambtenaar die avond.
Daarmee dringt zich een ongemakkelijke vraag op: wat wil deze Raad nu echt? Of is de coalitiediscipline inmiddels zo groot dat kritisch denken heeft plaatsgemaakt voor volgzaamheid? Een gemeenteraad die het college niet kritisch bevraagt, schiet tekort in zijn belangrijkste taak: het bieden van tegenmacht. Ook de discussie onderling als Raad aangaan in een zogenaamde ‘beeldvormende vergadering’ vindt niet plaats. Elkaar de spiegel voorhouden en reflecteren op het feit dat deze gemeenteraad unaniem voor deze mismatch tussen beleid en werkelijkheid heeft gekozen.
Maar ook de inwoners verdienen een spiegel. Wie verkiezing na verkiezing op dezelfde partijen stemt “omdat we dat altijd doen”, hoeft niet verbaasd te zijn als hetzelfde beleid wordt voortgezet. Klagen achteraf is gemakkelijk; tijdens verkiezingen en raadsvergaderingen betrokken zijn, blijkt een stuk lastiger.
Democratie is meer dan eens in de vier jaar een vakje rood kleuren. Ze vraagt om betrokken burgers én een gemeenteraad die haar controlerende rol serieus neemt. Ontbreekt dat allebei, dan is de uitkomst voorspelbaar: in november volgend jaar verandert er opnieuw niets.
Namens Vereniging Nieuwe Politiek
Hans Boer
