Foto:

Beschieting Oirschotse kerk

Hans Beks

Ooggetuige aan het woord

Peter (18), Frans (15) en Hans Beks (10) holden als jonge jongens naar de kerk in Oirschot, toen die werd beschoten en in brand vloog.

OIRSCHOT - Wij waren vanaf 18 september 1944 geëvacueerd op de boerderij van Hannes van Hoof, waar nu camping De Bocht ligt. Wij sliepen met twee gezinnen en achttien personen in het karhuis. En tochtig, vochtig vertrek. Er stond een plee en een pomp. Verder niets. Maar voor ons kinderen vergoedde het ongewone veel: geen school, het buitenleven, de boerderij, de kinderen van evacués in de omtrek. Met hen struinden we de contreien af, speelden we verstoppertje of rovertje met de boerenkinderen uit de buurt. Liepen we te ver van huis af en de Duitser zag ons, dan stuurden ze ons met een 'zurück nach hause' weer terug. Op 2 oktober 1944 kwam aan dit ongedwongen bezig zijn radicaal een einde. De kerk werd al regelmatig beschoten maar op 2 oktober was het fataal. De kerk stond in brand en daar wilden mijn broers Peter, Frans en ik, kostte wat kost, bij zijn. We meden de plaatsen waar de soldaten doorgaans bivakkeerden en renden via de Peperstraat, Helpad en Kerkpad en half buiten adem door het Noyenstraatje naar de markt. We kwamen goddank geen Duitser tegen, niemand trouwens, alleen in het centrum tegenover Bakker Nuyens vóór het huis van Mina 'Mous' stond pastoor De Vries met koster Hendriks en brandweercommandant Jan Louwers te praten. Aan de kant van de markt hield spuitmeester Jacques Leurs het dak van de zijbeuk nat. Hogerop joeg de wind de vlammen in de nok van Oost naar West, van het kleptorentje naar de gehavende broer van zeventig meter hoogte, een ruïne bijna, doorzeefd met kogelgaten. De dakleien spatten witheet uiteen. Gloeiende stukken en delen van de spanten donderden omlaag, dwars door de gewelven op het meubilair beneden. De kerkbanken en preekstoel vatten vlam en voerden achter het glas-in-lood raam een schimmenspel op van rook en vuur. 'Ze gaat eraan', schreeuwde dorpsgenoot Pietje Louwers plots. Uit het niets stond hij achter ons. Een granaat loeide. Jacques Leurs ging op de grond liggen en bluste door. Broer Frans vluchtte bij sigarenwinkel Smetsers binnen en verdween in de kelder. We schuilden achter een kastanjeboom. De granaat schoot zijn doel voorbij en ontplofte op een veilige afstand. Aan de noordkant verliet de zeventienjarige Jan Schoenmakers de kerk. Niet zonder gevaar had hij het laatste kleingoed uit de sacristie gered: Cibories, kelken, en een kostbaar kruisbeeld. De klus was geklaard, hij kon naar huis en koos de kortste weg langs slagerij van Haaren. Bij het kantongerecht keek hij nog eenmaal om, geboeid door de vonkenregen boven het kerkdak, verdween hij in de Kerkstraat. De Tommy's schoten een tweede granaat af. Het projectiel brulde laag boven de Zuidwesthoek van het dorp, verloor snel hoogte en sloeg een krater in het hoekhuis Kerkstraat-Nieuwstraat, waar Jan juist een opstap op de verhoogde stoep wilde maken. De granaat trof hem voluit. Jan stierf ter plaatse. Peter en ik besloten te vertrekken. Via de St. Odulphusstraat vluchtten we naar de Oude Grintweg. 'Wegens voortdurende beschieting van de toren gesloten', stond heel toepasselijk op de schuifdeuren van het pakhuis van de Boerenbond. Iets verderop al, bij dorpsomroeper Sjef Smeets, hield de bebouwing op en strekten zich eindeloze stoppelvelden uit. Achter ons hoorden we iemand in looppas. "Het is Janus", fluisterde Peter verbaasd toen ie omkeek. We lachten tegen hem maar door een enorme explosie verkrampten onze lachspieren en doken in een schuttersputje. Daarna hoorden we een schier eindeloos gedonder. De grond dreunde. 'Een bombardement', meende Peter na aanhoudende inslagen. Scherven floten rakelings over onze hoofden. Ik begon te huilen. 'Houd je rustig verdomme', vloekte Peter boven het lawaai uit en hij boog zich over mij heen. We kropen dicht in elkaar, tot we één hoopje angst werden. Peter prevelde een gebedje, zijn adem rook naar tabak. Blindgangers jankten en explodeerden niet ver achter ons. "Laat die hel in godsnaam ophouden", schreeuwde Peter. En merkwaardig, als door een wonder heerste er na nog een paar doffe slagen een abrupte rust. Een vreemde serene stilte, met achter die stilte het monotone geknetter van het brandende hout in de kerk. Peter pakte mijn hoofd in beide handen en schudde het wild heen en weer. We huilden en lachten tegelijk. "Het is over", zei hij zacht. Hij wachtte nog even, maakte zich van me los en krabbelde overeind. Heel voorzichtig keek hij boven de rand uit. "De toren", mompelde hij en kwam niet verder. Ik schoot omhoog. "Ja, de toren", herhaalde ik. Een enorme stofwolk vervuilde de lucht, die zich traag naar boven bewoog en de ruimte vulde, waar eens de galmgaten prijkten. De bovenste helft had het hoofd gebogen, haar verzet was gebroken, vierhonderd jaar teken van Godsvrucht lag in puin.

Meer berichten