Jaren geleden bezocht ik eens een wellnessresort in de buurt van Mechelen, waar een Vlaamse meneer een onuitwisbare indruk maakte. Het was een beetje een zielige man om te zien, met de bouw van de Klokkenluider van de Notre Dame, die in zijn uppie door het complex zwierf, van sauna naar stoombad, van jacuzzi naar stortbad. Wij troffen hem voor het eerst in een zoutsteensauna, waar hij zijn hoofd om het hoekje stak en zich vervolgens posteerde tegenover een paar jonge vrouwen.

De man ging liggen en leek even later te slapen. Vanuit mijn ooghoek zag ik iets vreemds gebeuren. Het lid van de gebochelde man kwam schoksgewijs omhoog. Ik stootte mijn metgezel aan, maar die had het ook al gezien. Even later deed de man zijn ogen open. We verwachten dat hij er een handdoekje over zou gooien, of zich om zou draaien. Niets van dat alles: hij glimlachte tevreden en ging weer liggen. Later kwamen we hem nog in verschillende sauna’s en stoombaden tegen, steeds in de buurt van jonge vrouwen en met zijn erecte Johannes. Zelfs op een ligweitje lag hij er zo bij. Een man uit Gent opperde: “Misschien moeten we er eens met een natte handdoek tegenaan kloppen?”

Ik stelde ringwerpen voor.

Medelijden voor de in mijn perceptie waarschijnlijk geestelijk beperkte man voerde bij mij de boventoon. Totdat ik hem na het uitchecken zag wegrijden in een nagelnieuwe Mercedes 500 uit de S-klasse. Onze planeet herbergt vreemdere wezens dan de naakte molrat of de blobvis. Toch heb ik over het algemeen wel goede en zeer goede ervaringen met sauna’s. Ook dit weekend troffen we weer overwegend aardige en beschaafde mensen in Maastricht. Een vriendelijke kerel uit Geleen vertelde dat hij ook weleens naar ‘badkledingdagen’ in de sauna was geweest, maar dat hij daarmee mindere ervaringen had gehad. “Dat publiek is luidruchtiger in de sauna’s, ze zijn vaak onbeleefd tegen het personeel en dringen voor”, stelde hij. Ik kon het vanwege gebrek aan ervaring hiermee niet bevestigen of ontkennen, maar wellicht had hij gelijk. Het gezamenlijk naakt zijn schept misschien een wederzijdse kwetsbaarheid die basale voorkomendheid best eens heel verstandig kon doen zijn: je hebt niets om je achter te verschuilen natuurlijk.

Later hebben we nog een haarmasker-groepssessie in een stoombad. Dat levert het aparte tafereel op van vijftien mensen die met een handjevol conditioner besmuikt de zweetcabine betreden, alsof iedereen dezelfde associatie heeft bij die klodder in de hand. We besluiten onze saunadag af te ronden met een opgietsessie, met zo’n dertig diehards aan het einde van de ‘sweaty Saturday’. We zitten bovenin de cabine, waar de temperatuur het hoogst is. Onze opgietman en ceremoniemeester – we noemen hem voor het gemak Claus – spreekt Nederlands met een stevig Duits accent. Hij maakt er werk van, met water, etherische geurolieën, ijsballen en gecrusht ijs. Hij wervelt door de hete ruimte, met een badlaken en een grote waaier wappert hij kleine hittegolven over zijn puffende publiek. Hij draait op zijn voorvoet, maakt af en toe een sprongetje en gracieuze armbewegingen. Een toonbeeld van expressie en kracht. Deze man is geen simpele opgieter, hij is een artiest, een balletdanser, de Rudolf Noerejev van de Maastrichtste thermen.

Na afloop sta ik buiten in de vrieskou uit te wasemen. Onze ‘Claus’ vertelt me dat hij uit Dresden komt. Ik ben er een paar jaar geleden nog eens geweest en mijn gedachten gaan onwillekeurig naar het vernietigende Geallieerde bombardement dat het oude Dresden volledig in de as legde en waarbij in amper drie uur 25 duizend mensen omkwamen. Ik dacht aan de verstikkende dictatuur waarin de Dresdenaren vervolgens 44 jaar terechtkwamen in de DDR. Vladimir Poetin leerde in Dresden zijn smerigste KGB-tactieken.

Het stemt me dan toch een soort van hoopvol, dat na al deze onmetelijke ellende de elegantie, de dans, de expressie en de Kunst blijkbaar toch hebben overleefd in Dresden. Zoals in de persoon van een opgietkunstenaar die een warm applaus oogst in de Zuid-Limburgse vrieskou.