Zolang de VPRO op NPO2 en NPO Start documentaires blijft tonen als ‘Wakker in Paraguay’ heb ik nog geen Netflix, HBO Max of Videoland nodig. Vele uren heb ik gebiologeerd aan mijn scherm gehangen om de ‘wakkere Nederlanders’ te volgen die vluchtten naar Paraguay. Ons volkje is van oudsher nogal van het uitvliegen en het heil zoeken over de grens. Duizenden landgenoten trokken naar Canada, Australië, Spanje en Thailand, op zoek naar een gunstiger werkklimaat, beter weer, minder regels, of een combi van deze zaken.
Geef ze eens ongelijk, zeker als je voor de zeventiende dag op rij takkenweer hebt en de zoveelste blauwe brief van de deurmat raapt. Mijn ouders vertrokken zo in 1984 naar België om een café te starten. Een beslissing waar ze nooit spijt van kregen. Maar vertrekkers lopen altijd tegen problemen aan: de taalbarrière is vaak moeilijk te slechten met je steenkolenengels, lokale autoriteiten blijken soms nog veel bureaucratischer te zijn dan in ons polderparadijs en dan blijkt je lonkende azuurblauwe zwembad ook nog zo lek als de Haagse ambtenaren. Bij ‘Ik Vertrek’ zie je daar vaak mooie voorbeelden van voorbijkomen. Het is altijd weer verkneukelen bij mensen die 35 jaar achter een bureau hebben doorgebracht en dan zelf aan de bak mogen om hun riool uit te baggeren en rillend een rattennnest op hun zeventiende-eeuwse zolder te verdelgen. Ze hebben hun schepen verbrand; ze moeten door, ook al is de hele spaarpot leeg.
Maar ‘Wakker in Paraguay’ is in deze echt de overtreffende trap. Er is een flinke groep Nederlanders die het geloof in ons vaderland geheel kwijt is. Ze voelden zich bijvoorbeeld gepiepeld tijdens de coronalockdowns en ze voelden zich gediscrimineerd omdat ze niet gevaccineerd waren. Anderen maken zich zorgen om de 5G-straling die ‘overal’ is, ook in elke cel van je lijf natuurlijk. Weer anderen kunnen er niet tegen dat er steeds meer camera’s in het straatbeeld verschijnen: ze voelen zich ieder moment bespied als in de hoogtijdagen van de DDR. Ze voelen zich door een vermeende omvolking met allerhande gelukszoekers een vreemde in eigen land en vinden het jammer dat er niet rechtlijniger ‘gezuiverd’ wordt. Er komt een ex-drugshandelaar voorbij die zich beklaagt over het feit dat hij destijds zonder pardon van zijn bed werd gelicht.
Maar nu hebben ze hun paradijs gevonden: Paraguay. Honderden gedesillusioneerde Nederlanders bezochten een infomeeting op een treurig industrieterrein. Dat bleek voor tientallen het laatste zetje wat ze nodig hadden. Veel van hen strijken neer in het plaatsje Hohenau in Paraguay: ooit gesticht door een club strenggelovige Duitse Mennonieten. In de jaren dertig streken er weer andere Duitsers neer, die er een kolonie wilden stichten met als doel er een superieur blank mensenras te fokken. En nu komen er dus de Nederlanders in groten getale. Ze hebben de lokale omzet van alcohol flink opgedreven, evenals de prijzen van onroerend goed trouwens, tot groot verdriet van de Paraguayanen met hun gemiddelde maandinkomen van 400 euro. Ook wordt er zonder wroeging gebarbecued met lappen vlees die je in eerste instantie aan een Brontosaurus linkt.
De camera volgt en registreert, zonder oordeel of valstrikvragen, dat vind ik wel mooi. Er zijn bijzondere momenten, als de vluchtelingen van de locals in het Beloofde Land horen dat heel Paraguay een jaar lang in coronalockdown was. Tot hun verbijstering zien ze ook in de Paraguyaanse lucht talloze chemtrails (of zijn het gewone condenssporen van lijnvliegtuigen?). De gezondheidszorg lijkt in het Zuid-Amerikaanse land onhandig ver weg, of niet van het niveau wat ze in Nederland gewend waren. Komen er scheuren in de Hollandse enclave, die hier en daar aan een Spaans vakantiepark doet denken?
Ik bedenk me dat het eigenlijk ook wel bijzonder is dat uitgerekend deze uitgetreden Nederlanders nu zelf ook een soort gelukszoekers zijn geworden.
Al de hele dag krijg ik om een of andere reden dat meeslepende liedje met blokfluitriedeltje van de te weinig geprezen George Baker niet meer uit mijn hoofd:
‘Fly Away Little Paraguayo’…
