Al ruim twee weken werd er door weerprofeten wat gemompeld over oplopende temperaturen. Geen zomer in februari maar toch een paar dagen genieten van warme zuidenwinden. En terwijl er niets zo onvoorspelbaar is als Hollands weer hadden ze wel gelijk, Heggemussen, merels en koolmezen reageerden er direct op. Maar echte vogelkenners wisten dat er ook iets anders zou kunnen gebeuren. Een natuurfenomeen wat samenhangt met vogeltrek en fors opgestuwd zou worden door de wekenlange koude oostenwind. En ook zij kregen gelijk: het luchtruim boven Oirschot en vooral de oostelijke Brabantse gemeentes werd voor even uitgeleend aan honderden en mogelijk zelfs duizenden kranige luchtreizigers.

Eens, lang geleden, lagen er duizenden hectares droge en natte heide in het Hertogdom Brabant. Vooral de Peel maar zeker ook de Beersche Heide was groot genoeg om tientallen statige kraanvogels een rustige nestplaats te bieden. Samen met wulpen en goudplevieren zullen ze voor veel gevleugeld vermaak aan menig herder gegeven hebben. Maar met de grote ontginningen aan het begin van de vorige eeuw was het afgelopen met deze vogelweelde. Wulpen trokken zich terug aan de kust, goudplevieren en kraanvogels verdwenen naar noordelijke en oostelijke streken. Zweden, Noorwegen, Finland en ook het oosten van Duitsland en Polen waren bereid al die vluchtelingen op te nemen. En daar is het hun zo goed gegaan dat er inmiddels elk jaar meer dan honderdduizend kranen richting hun Spaanse overwinteringsgebied vertrekken en medio februari weer noordwaarts gaan. De herfsttrek is meestal een wat gezapig gebeuren. Manana is het motto, gezellig in grote groepen op vaste punten je buikje rond eten is wat ze elk jaar weer doen. Het eiland Rugen, de Muritzsee in Duitsland en Lac du Der in Frankrijk zijn vaste locaties waar ze twee keer per jaar terugkomen. In het voorjaar hebben ze echter haast. Geen gezeur, gaan zodra het kan. Maar een kraanvogel is bijna een halve struisvogel in grootte en dus kan er niet veel reserve voedsel mee voor de lange reis. Dat betekent zorgvuldig uitkienen hoe de wind staat en zodra deze naar rugwind gaat, uit het zuiden komend, gaat alles de lucht in. Tienduizenden kranen hebben zo deze week Frankrijk verlaten. Niet als grote groep maar over een breed front trekkend richting het noordoosten. Tot dertig jaar geleden raakte de route net de Nederlandse grens maar inmiddels is dat ver naar het westen opgeschoven.

En zo komt Oirschot ook in beeld. Op 19 februari passeerden de eerste kleine groepen ons grondgebied. Wegen afsluiten, tonnen krachtvoer speciaal geschikt voor kraanvogels uitrijden en mevrouw de burgemeester haar agenda laten leegvegen voor een waardige ontvangst is echter niet nodig. Rustig klapwiekend en voortdurend babbelend in kranen taal, wat voor ons klinkt als kruu-kruu, en af en toe een blik naar beneden is alles wat er gebeurd. Een enkele familie met één of twee jongen van vorig jaar zullen misschien even de landing inzetten maar het liefst proberen ze door te vliegen naar de rust van Diepholz, net over de Duitse grens achter Twente. Uitgestrekte heide en veengebieden waar ze elke vos vanaf driehonderd meter kunnen zien aankomen en vooral geen lawaaiige tweevoeters. Boeren rond Diepholz weten dit en laten elk jaar voldoende oogstrestanten achter voor hun geliefde vogels. Samen met wormen en andere dierlijk voedsel op het menu kunnen ze vlot de opgebrande reserves weer aanvullen en doorvliegen naar hun broedgebieden in het oosten of noorden.

Dag en nacht wordt er gevlogen. Let maar eens op het kenmerkende geluid. Hoogvliegers zijn het niet dus wie weet ziet u ook een vlucht kraanvogels.