Het is weer eens tijd voor een positieve column. Met de gitzwarte bedreigingen van onze laatste snippertjes natuur, het onlangs uitgereikte Europese diploma voor het goorste slootwater in Nederland en een kabinet dat elk probleem op wil lossen door weg te kijken is het een verademing om gewoon eens naar buiten te staren. Je mee laten voeren op de snelle noten van het heggemussenlied of de acrobatiek van een paartje staartmezen volgend. Veel dichterbij zijn echter de nachtelijke raambezoekers.
Het is inmiddels februari en zodra de zon ondergaat wordt het druk aan de buitenkant van helder verlichte ramen. Waren het in december vooral kleine wintervlinders die in tientallen even kwamen kijken, nu is het een bont palet geworden. Omdat je echter tegen de buikjes van al die vlinders aankijkt lijken ze echter gehuld in stemmig grijs. Vanaf de andere kant blijkt echter dat er veel meer te zien is. Vooral de kleine voorjaarsspanner kan er wat van. Wilt u een zwarte band, meneer, of een bruine band? Op een achtergrond van bruin, geel of wit? U zegt het maar en het wordt gemaakt. In werkelijkheid gaat dat uiteraard niet zo. Kleuren zijn genetisch bepaald en de pop heeft niets in te brengen over het patroon van de daaruit groeiende vlinder. Voor de dames zijn de aangeboden kleuren totaal niet interessant. Hoewel ze kunnen zien is het gewoon te donker voor het waarderen van een vliegend schilderij. Dat dit bonte spektakel blijft bestaan heeft alles te maken met camouflage technieken. Overdag is het motto blijf zitten waar je zit en verroer je niet. Overal zijn hapgrage snavels aanwezig en een volvet vlinderlijfje is voor elke insecteneter een traktatie. Daarom wordt er ook niet geïnvesteerd in de kant die naar het raam, of overdag naar de boom, toegekeerd is.
Een groot deel van het gefladder op het raam bestaat uit heren. Perentakken, kleine en grote voorjaarsspanners en voorjaarsboomspanners hebben net als beide wintervlinders ongevleugelde vrouwtjes. Die zijn niet geïnteresseerd in verlichte ramen. Zij hebben maar één ding in hun kleine koppie en dat is omhoog klimmen langs een geschikte boom. Dat is een gemakkelijke opgave want als pop lagen ze in het strooisel onder de boom waar ze als rups op geleefd hebben. Ergens tussen de honderdvijftig centimeter en twee meter blijven ze zitten, zetten hun geurklier aan en dan is er niets anders te doen dan wachten op een mannetje. Na het herenbezoek klimmen ze verder en zoeken wat knoppen War hun kostbare eitjes afgezet kunnen worden. Daarna is het letterlijk einde oefening voor de dames. Hun leventje is voorbij en ze eindigen als vogelvoer of vergaan in stilte. De heren hebben meer geluk en kunnen nog heel wat avonden op het raam gezien worden. Zodra het licht uitgaat keren ze weer terug naar hun geliefde bezigheid: hun antennes volgen naar geurende vrouwen.
Maar er zijn meer raambezoekers die de moeite waard zijn. Deze winter is de exotische, en eens Noord-Amerikaanse, bladpootrandwants volop aanwezig. Zelden aan de buitenkant maar juist aan de binnenkant. Lekker binnen overwinterend en als de kachel aan gaat wakker wordend en in de avonduurtjes met stramme pootjes wat rond klimmend. Ze zijn wat fors uitgevallen maar absoluut ongevaarlijk. Naaldbomen zijn het enige waar ze werkelijk in geïnteresseerd zijn.
Kijk ook ’s avonds eens uit een verlicht raam, een vaak totaal onbekende wereld laat zich graag zien.