Mijn vorige column richtte de verrekijker op een markante en zeer actieve inwoner van het dorp Oirschot. Voor deze week steek ik de A58 over en op het befaamde “drielanden” van Hilvarenbeek, Oisterwijk en het vroegere Oost West en Middelbeers kom ik weer een spraakmakende heer tegen. Zijn domicilie net over de grens maar zijn landelijk bezit strekt haar groen dooraderde vingers uit naar Oirschot. Niet dwingend maar vriendelijk groetend net als haar eigenaar. Theun Kemps is de trotse bezitter van een landgoed in wording. Waar de Baest een welgedane grijsaard onder de landgoederen is, zo is landgoed Beekersberg letterlijk piepjong. Feitelijk zelfs nog geen Calimero met een eierdop op haar hoofd, maar een groot struisvogelei dat op uitkomen staat. Nog enkele hectares te verwerven en zijn registratie als landgoed kan opgestart worden. De heren wethouders in de Oirschotse ivoren toren kennen hem als een gedreven en aimabel heer die met zijn landgoed in wording, onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant, niet zou misstaan in de schatkamer van groene kroonjuwelen.

Theun is tussen werk en verzorging van zijn jongste telg een natuurgenieter zoals er maar weinigen zijn. Niets ontsnapt aan zijn spiedend oog, altijd heeft hij telefoon op camera stand paraat en aan zijn enorme handen ontsnapt geen rennende tor. Vaak zijn het gewone soorten die in de vorm van digitale beelden naar zijn huisbioloog gestuurd worden maar soms ook enorme zeldzaamheden die buiten de grenzen van zijn Hof van Eden zelden meer gezien worden. Jaarlijks is er echter één verschijnsel wat sinds de omvorming van een vroegere maisakker tot weelderig boeket steeds weer zijn aandacht vraagt. Theun heeft namelijk iets met wespspinnen. Geen enge stekers of harige bijters maar vriendelijke bewoners van grazige natuur.

Precies 46 jaar geleden klopte de eerste wespspin aan de deur bij het Limburgse Gulpen. Vanuit het Middellandse Zee gebied was deze soort naar het Noorden gereisd. Warmere zomers en het vermogen om haar kroost in een warme, zijden kruik te laten overwinteren bleken optimaal voor vestiging in de Lage Landen. Misschien nog veel belangrijker was echter het veranderende natuurbeheer. Ruige grasland vegetaties werden steeds rijker aan veldsprinkhanen en juist dat is haar lievelingsvoedsel. Van de vroege ochtend tot de late avond worden haastige springers gevangen, ingesponnen en leeg gezogen. In de intensief gebruikte veeweiden waren sprinkhanen inmiddels verdwenen en zo ontsnapten wespspinnen in de jaren tachtig geregeld aan de aandacht van oplettende wandelaars. Inmiddels komen ze echter overal voor, zelfs de Wadden eilanden zijn door aan spinrag zwevende jonge spinnetjes gekoloniseerd. Op Landgoed Beekersberg i.o. zijn ze in ieder geval sinds begin 2020 aanwezig in steeds grotere aantallen.

Voor Theun is de periode van ei leg en geboorte van het kroost het mooist. Inmiddels gaat er geen jaar voorbij dat er niet enthousiaste berichten over het wel en wee van de wespspinnen richting bioloog gaan. Als het er niet zo gigantisch veel waren zou hij elke nestbol intekenen en persoonlijk bewaken. Moeder spin schrikt nog wel eens als peetvader op bezoek komt maar binnen de kortste tijd hangt ze weer op de kop in haar web. Wachtend op de volgende sprinkhaan en vervolgens met al die eiwitten hard werkend aan de productie van eieren.

Voor het eind van de zomer moet het gedaan zijn en laat ze de zorg voor het nageslacht over aan “Spinnen Peetvader Theun”.