Toegegeven: het kerkje kan ook 905 of 922 jaar oud zijn inmiddels. Feit is dat de stichting achter het Boterkerkje graag en terecht extra glans wil geven aan het feit dat het Boterkerkje dit jaar in ieder geval zeker 900 jaar bestaat. In Oirschots oudste monument zelf werd dat vrijdag in stijl gevierd, met interessante lezingen over de historie, met bijpassende orgelmuziek uit het rijke verleden én met de opening van een expositie over het tufstenen Rijksmonument.
door Rens van Ginneken
Stichtingsvoorzitter Arthur de Vries is de eerste om toe te geven dat dit jaar de laatste kans is om bij het 900-jarig bestaan van de van oorsprong Romaanse Mariakerk stil te staan. “We weten namelijk met zekerheid dat het kerkje is gebouwd tussen 1100 en 1125, hoewel het mogelijk ook niet de allereerste kerk hier was. Het is wel vijf eeuwen in functie geweest als dé katholieke kerk in het Oirschotse centrum. Daarna werd het langere tijd gebruikt als opslag en boterwaag, waarna het rond 1800 door de protestantse gemeenschap in gebruik werd genomen. Zij droegen het monument in 2020 over aan onze stichting.”
Kerkje heeft vele geheimen
Stadsarcheoloog Nico Arts en de in Oirschot geboren classicus en conservator Michiel Verweij hebben beiden de nodige kennis paraat om de Oirschotse geschiedenis te duiden, maar ook zij moeten erkennen dat er nog veel onbekend is rondom Oirschot en haar kerken in vroeger tijden. “Dit kerkje heeft veel geheimen”, aldus Arts. “In de jaren zestig heeft er nog onderzoek plaatsgevonden, maar helaas niet door een archeoloog. Wat we weten is dat dit kerkje voor de komst van de Sint-Petrusbasiliek dé kerk van het dorp was en dat het aan de kop van een pleintje stond. In de loop der eeuwen is het kerkje een aantal keren op tekeningen vastgelegd, waardoor we zicht kregen op hoe de metamorfose naar het kerkje wat het nu is ongeveer gelopen is. Er zijn ook zeer oude gietkuilen gevonden, waarin forse klokken ter plaatse zijn gegoten, maar ook dat roept vraagtekens op, want zoveel en zulke grote klokken zullen waarschijnlijk niet voor dit kleine kerkje zijn geweest. In 1961 is er nog een extra deur in een zijmuur gekomen, waarschijnlijk bedoeld als branddeur. Het is jammer dat menselijke resten pas sinds een jaar of twintig bewaard worden bij archeologisch opgravingen. Zulke resten hadden ons ook veel kunnen vertellen over de tijd waarin deze mensen leefden. Ook is het jammer dat er bij eerdere opknapbeurten veel ‘kapotgerestaureerd’ is.”
‘Soms totale nonsens’
Ook Verweij kan niet alle raadsels oplossen. “In de geschiedschrijving komt Oirschot opvallend weinig voor. Dat heeft onder meer te maken met de geschiedschrijving zelf, die hier pas laat op gang kwam. Dat heeft er helaas ook toe geleid dat er zaken benoemd worden, die totale nonsens bleken te zijn. Zo werd in een geschrift gesproken over een Oirschotse universiteit in de vijfde eeuw, wat echt naar het rijk de fabelen kan. Toch kunnen we uit geschriften wel afleiden dat Oirschot ook kerkelijk wel een plaats van betekenis was. Vanwege een vrij omvangrijk Kapittel bijvoorbeeld, dat het net als Hilvarenbeek en Sint-Oedenrode plaatst op een belangrijke kerkelijke positie in het Brabant vanaf de Middeleeuwen tot aan de Reformatie. Ook weten we inmiddels dat Sint Odulphus een historische figuur was en dat zijn ouders hem in Oirschot hielden: zelf wilde hij liever naar het ‘wilde’ Friesland om zendingswerk te gaan verrichten. Ook het feit dat dit kerkje van tufsteen werd gebouwd, in een omgeving waar amper steen te vinden is, zegt iets over het belang.”
Fris en sprankelend orgelspel
Een speciaal hoofdstuk is er deze middag voor het orgel uit 1751, gebouwd door Ludovicus Debacker. Organist én orgelkenner Siep Weiland is enthousiast over het orgel in het Boterkerkje. “De restauratie aan dit orgel vorig jaar is zeer goed geslaagd. Zelfs het luchtbalgensysteem is weer geheel bruikbaar. De toonhoogte van het orgel werd verlaagd naar een zogenaamde midtoonstemming, zoals deze voor de Baroktijd werd toegepast. Nadeeltje is wel dat je goed moet weten welke toonsoorten je kunt spelen: sommige klinken echt verschrikkelijk.” Bij zijn demonstratie van enkele muziekstukken uit vervlogen eeuwen blijkt Weiland onmiskenbaar goed bekend met de mogelijkheden en de onmogelijkheden van dit mooie compacte orgel. Of het nu een stuk uit eind zestiende eeuw is, barok, of een fuga, het klinkt allemaal even fris en sprankelend in het kerkje. Een geheel andere beleving dan het bijna bombastische geluid van een groot orgel in een grote kerk, waarbij door de galm de nuances nog weleens verloren gaan. Zo niet hier: in soms sterk ritmische secties klinkt het allemaal behoorlijk ‘strak’ en soms zelfs vrolijk, met hier een daar een speels meanderend basloopje. Je ziet de statig dansende edellieden eigenlijk zo voor je.
Arthur de Vries vertelt dat het gezien de tijdsdruk lastig was om een geheel ‘jubeljaar’ in te richten. “Maar er komen zeker nog een aantal aansprekende activiteiten in het Boterkerkje om het 900-jarig jubileum luister bij te zetten. Ook zal deze expositie in het najaar nog eens getoond worden.”
