Een oranje man dreigt een compleet volk uit te roeien, verschiet wapentuig met een waarde van miljarden dollars en weigert vervolgens onmisbare geneesmiddelen in Afrika te financieren. Ondertussen schreeuwen wij moord en brand omdat onze meest geliefde brandstof, olie voor het heilige blik, duurder wordt. Overheid grijp in en betaal onze luxe maar met geld wat bestemd was voor onderwijs of zorg voor asielzoekers die in hun land vervolgd worden of vluchten voor geweld. Wat zijn mensen toch rare wezens.

Meestal lijdt de natuur onder het kortzichtig gedoe van ons. In deze column schrijf ik al jaren over door e verdroging, verzuring en verstikking. Maar soms is er klein gewoel wat ook eens blij wordt van die rare wezens. In deze April weken bloeit de laurierkers. Eens door ons naar Brabant gehaald omdat het tuin en erf zo mooi afsluit van inkijk door andere rare wezens. Lokale hommels en ook al aangesleepte honingbijen, het vee van onze hobby en beroepsimkers, zijn er dolblij mee. Elke struik zoemt en bromt van honderden insecten die elk een deel van de rijke voorraad nectar en stuifmeel naar binnen proberen te werken. Voor wie goed kijkt ziet er ook kegelbijvliegen tussen zitten. Geen bijen maar zoals de naam al zegt een tweevleugelige vlieg. Beestjes die hun korte leven begonnen in het slijk als rattenstaartlarf en levend van nog kleiner grut. Maanden later zien we het effect van hun werk: bessen waar merels blij van worden. Helaas poepen ze de pitten weer uit die vervolgens ontkiemen op plaatsen waar ze ongewenst zijn. En dan gaan we man en macht, schoffel en hark te keer om al die tere kiemplantjes uit te roeien. Wat zijn mensen toch rare wezens.

Eens, 86 jaar geleden, stond onze eigen wereld in vuur en vlam. Na jaren strijd was de brand geblust maar stond er nauwelijks meer een eik overeind. Brabant en alle andere provincies hadden zwaar geleden onder houthonger. Een deel verdween door de schoorsteen, een ander deel werd gebruikt voor creatieve invullingen. En dus moest er geplant worden. Honderdduizenden zomereiken gingen de grond in. De natuur werd er blij van. Miljoenen vlinderrupsen hadden weer voedsel, sluipwespjes konden weer groot worden en spechten vierden feest. Maar met al die beestjes die aanschoven aan de maaltijd was er ook een ongewenste gast. De eikenprocessierups. Weet u het nog? Brabant en Limburg waren de eersten die dit vlindertje mocht begroeten. In plaats van de natuur rustig te laten wennen aan deze harige terugkeerders schreeuwde Nederland moord en brand. Te vuur en te zwaard moest het monster bestreden worden. Bossen werden afgesloten, schoolpleinen afgesloten, ramen en deuren gesloten. Vrolijk spoten we alles vol met gif, versierden we bomen met plakbanden en keken vervolgens verbaasd dat koolmezen volledig verhongerden, omdat ook alle andere rupsen het niet overleefden. Wat zijn mensen toch rare wezens.

Buitenaardse bezoekers zouden vol onbegrip naar ons kijken. Schoon water wordt schaars en toch kruipen we nog maar een paar centimeter dichter naar de sloot want ook daar kunnen nog enkele kubieke meters mest ingepompt worden. Een volk wat trots is op de grutto maar dan alleen in grijs gedraaide natuurfilms want we moeten wel hoogproductief grasland hebben waar geen worm meer in leeft. Wat zijn mensen toch rare wezens.