Iedereen heeft zo zijn eigen rijtje voorjaarsbodes. Van sneeuwklokje in januari tot de eerste zwaluw in maart. Voor mij hoort de koekoek daar ook bij, aan hem de eer de komst van het voorjaar af te sluiten. Ergens in april komen de eerste en vorige week hadden ze ook onze gemeente bereikt.

Voor ons, tweebenige natuurgenieters, gaat de koekoek gehuld in een zwarte mantel. Een echte klaploper, rijk op andermans kosten en liever lui dan moe. Een organisatie geplaagd door een koekoeksjong in hun midden is niet te benijden. Dat komt bij ons nooit voor zal u nu in koor roepen maar zelfs in Hollandse gemeenteraden, toch de meest directe vertegenwoordiger van uw persoonlijke belangen, zit het geregeld vol met koekoeken. Zelden aanwezig, een grote mond als vragen iets te dichtbij komen maar met genoegen de niet zo riante vergoeding opstrijkend.

Hoe anders is het in de natuur. Zit je rustig op je Afrikaanse tak, wat soezend en heerlijk een hapje rups of sprinkhaan verterend, gaat plotseling je hormoon wekker af. Eerst even negeren helpt niet, steeds onrustiger wordt je lijf en dan slaat ook nog eens een onstilbare honger toe. Alles wat maar beweegt verdwijnt in je snavel. Steeds luider klinkt de innerlijke stem die je beveelt koers naar Brabant te zetten. Nacht of dag, het maakt niet uit, je zal moeten gaan. Zonder gezelschap, zonder TomTom en met de stand van de zon of de sterren als één van je bakens onderweg. Hoe de koekoek het precies doet weten zelfs de meest gerenommeerde onderzoekers nog steeds niet. Met kleine trackers vastgebonden op hun rug weten we wel dat er een aantal opties zijn. Langs de Nijl naar het noorden of langs de West-Afrikaanse kust. Onderweg even rusten en bijtanken mag maar vooral niet te lang want je zal aan moeten komen net voordat je geliefde gastheren hun nest voltooid hebben. Lukt dat niet? Helaas, pech en je wordt teruggestuurd naar huis.

Het mannetje van de koekoek komt altijd wat eerder aan en gaat op zoek naar een gebied waar het vrouwtje haar kostbare eieren kwijt zou kunnen. In onze streken zijn dat vooral nesten van rietzangers, karekieten en graspiepers maar ook onze heggenmus, witte en gele kwikstaart zijn de klos. Behalve in dichte bossen is er ruime keus voor meneer om met luide roep te verkondigen “Kom maar, hier is het”. Als een vrouwtje er op afkomt lokt zij het mannetje met een wat hinnekende triller, wordt er gepaard en gaat zij op zoek naar een passend nest. Met het lijstje van mogelijke, onvrijwillige, gastheren en gastvrouwen zou dat een simpele klus moeten zijn. Maar haar ei moet wel ongeveer dezelfde kleur hebben. Om dat te bereiken zoekt ze altijd een soort op die haar ook groot gebracht heeft. Rustig observerend totdat het gevulde nest verlaten is, een ei er uit gooien, haar ei er in en weg wezen. Afwachten tot haar kind gaat uitvliegen is er niet bij. Zij vertrekt en het koekoekje mag in augustus zelf de weg naar huis vinden.

In Brabant gaat het de laatste jaren iets beter met het aantal koekoeken. Maar voedselgebrek (rupsen), verdroging en verstikking hebben ook een zware tol van de koekoek geëist. Om onze koekoek te behouden zullen we echt alle zeilen bij moeten zetten en eindelijk werk moeten maken van gericht en effectief natuurherstel.